Klimaat- en biodiversiteitscrisissen, een Europa dat wordt herinnerd aan zijn schrijnend gebrek aan eigen grondstoffen: het zijn enkele duidelijke signalen van de realiteit waarin we leven. De urgentie is hoog. Veel sectoren, waaronder de bouw en de architectuurpraktijk, moeten zich grondig heruitvinden. Architecten moeten opnieuw hun rol opnemen als regisseur van het integrale architectuurproject. Alleen zo kunnen ze werkelijk impact hebben. Er is werk aan de winkel, en wel nu.
Decennialang hebben we bijna uitsluitend ingezet op het verhogen van efficiëntie: hetzelfde doen, maar efficiënter. Pas sinds enkele jaren beseft Europa dat het gebrek aan grondstoffen een van zijn achilleshielen is. Het model van de circulaire economie wint sindsdien aan belang, maar de omslag verloopt tergend traag. Tegelijk zitten we opgescheept met een diep verankerd idee dat meer beter is.
We hebben er, als gemeenschap én als individu, alle belang bij om met zo weinig mogelijk middelen een maximaal resultaat te halen. Dat is basiseconomie. Maar we moeten ook durven te bevragen wat dat te behalen resultaat precies is. Al te vaak stellen we iets als doel ‘omdat het kan’, in plaats van te beginnen met de vraag: ‘Is dit wel nodig?’ Die vraag stellen vraagt moed, want de norm ‘meer is beter’ zit niet alleen diep ingesleten in ons denken, maar ook in regelgeving, normen en richtlijnen.
We moeten niet alleen denken in termen van efficiëntie, maar ook van sufficiëntie. Waar efficiëntie gaat over de dingen juist doen, gaat sufficiëntie over de juiste dingen doen. We moeten doen wat we nodig hebben, niet meer. Macro-economische analyses en wetenschappelijk onderzoek wijzen steeds vaker sufficiëntie aan als cruciale hefboom voor verandering.
Voor architecten ligt hier een sleutelrol. Zij moeten de vraag zelf ter discussie durven te stellen. Is dit wel nodig? Kan het niet anders, met minder? Neem nu onze vraag naar comfort. Er is steeds meer evidentie dat de comfortmodellen in onze normen waarmee we installaties (over)dimensioneren, achterhaald zijn. Ze vertrekken nog te vaak van het principe: hoe kleiner de temperatuurvariaties, hoe hoger het comfort. Fysiologen tonen ondertussen aan dat ons metabolisme net baat heeft bij variaties, zoals het ook behoefte heeft aan beweging en aan afwisseling tussen licht en donker. Dat zit diep in onze genen ingebakken.
Wie de vanzelfsprekendheid van homogene temperaturen durft uit te dagen, ziet andere mogelijkheden, die win-wins voor gebruikers én maatschappij creëren. In onze eigen kantoren hebben we nu ‘temperatuurlandschappen’: zones waar het iets kouder of iets warmer kan zijn. Die maken onze werkomgeving gezonder en zorgen voor minder energievraag en installaties.
Het is hoog tijd dat sufficiëntie deel uitmaakt van ons ontwerppalet, en dat regelgevende kaders deze benadering expliciet naar voren schuiven als de meest relevante strategie. De gebouwgebruiker én het milieu zullen er wel bij varen.
Joost Declercq | Archipelago, civil engineer architect & urban planner, director research and innovation, sustainability manager, BREEAM & WELL AP